Hoofdstuk V: Onderzoek: Ontwikkelen van de AR-Toolkit - deel 2

5.3 MEER MOGELIJKHEDEN & SCENARIOS

Door het uitwerken van scenario’s kan het ‘nieuwe leren’ wellicht meer in het Toolkit concept worden verwerkt. In het nieuwe leren is het belangrijk dat zaken op verschillende manieren kunnen worden bekeken en dat leerlingen zelf aan de slag gaan met het oplossen van problemen. De docent krijgt hierbij een meer coachende rol (zie ook 2.3 ‘Het nieuwe leren’ ) en motiveert de leerlingen om leerstof zelf te construeren.

De scenario’s zijn in feite manieren om leerstof in de Toolkit te verwerken. In deze paragraaf gaan we nog een aantal mogelijke scenario’s bedenken.

1. Hoe ziet het leven van de gildesmid eruit?

Deze vraag is gebaseerd op een gesprek met de geschiedenisdocent, waarbij hij dit voorbeeld aanhaalde (zie bijlage 2, r252). In de Toolkit zou dit als opdracht op de volgende manier kunnen worden uitgewerkt:

  • De smidse is zichtbaar als los AR-model op een specifieke marker.
  • In het model is een animatie zichtbaar, van een smid die bezig is met zijn werk. Mogelijk zijn er meerdere animaties, bijvoorbeeld ook een waar een meester en leerling bezig zijn met een meesterproef (zie bijlage 4: r483).
  • De smidse kan ook van binnen worden bekeken, zodat het interieur zichtbaar is.
  • In de smidse kan mogelijk een aanwijzing verstopt zitten welke verwijst naar een specifieke marker (in de ‘markerbibliotheek’ van de Toolkit). Wanneer deze marker naast de marker van de smidse wordt gelegd, begint er een filmpje te spelen.

We zien dat er op deze manier veel informatie in een AR-object kan worden verwerkt. Deze informatie kan door de leerlingen zelf worden ontdekt. Wanneer deze opdracht gecombineerd zou worden met ‘Prototype 1’ (zie §5.2) zouden leerlingen bijvoorbeeld de volgende beschrijving kunnen geven:

Dit huisje staat helemaal aan de buitenkant van het dorp. Het is gebouwd in de 14de eeuw. De smidse bestaat uit een open en een gesloten gedeelte. Het open deel wordt gebruikt als stal voor een span ossen. Het gesloten deel heeft een bakstenen haard met schoorsteen. De smid maakt ijzeren gereedschappen, spijkers en hang- en sluitwerk voor deuren en luiken. Het ijzer wordt verhit en vervolgens met hamers gesmeed. Een gewone smid maakt geen wapens. Dat was zelfs verboden. Wapens worden voornamelijk uit het buitenland ingevoerd” (Anoniem, 2003).

Dit is een stukje uit een opstel van een leerling wat nog redelijk globaal is. Aan de hand van het prototype zouden er veel gedetailleerdere beschrijvingen kunnen worden gemaakt.

2. Hoe was het leven in de middeleeuwen?

Dit scenario is gebaseerd op een opdracht van de website Histoforum.digischool.nl (Van der Knaap, 2010). Op deze website wordt de volgende opdracht omgeschreven:

“Een psalter is een boek met psalmen, meestal geschreven in het Latijn. Het Luttrell Psalter werd rond 1325 gemaakt in opdracht van Sir Geoffrey Luttrell van Irnham in Lincolnshire om het dagelijks leven op zijn domein in beeld te brengen.”

Voor het oplossen van de opdrachten worden de leerlingen verwezen naar een virtuele versie van het Luttrell Psalter boek en een PowerPoint presentatie hierover. De opdrachten zijn als volgt:

Opdrachten:

  • “Welke informatie geeft dit boek over het leven van middeleeuwse boeren?”
  • “Wat is volgens jullie het doel van deze plaatjes? Zijn ze bijvoorbeeld bedoeld om andere edelen te imponeren of om het leven van de boeren in de middeleeuwen vast te leggen?”
  • “Hoe betrouwbaar zijn deze afbeeldingen voor het leven in de middeleeuwen? Waarom denken jullie dat?”
  • “Wat zeggen deze afbeeldingen over de heer van het domein?”

Deze opdracht zou op de volgende manier uitgewerkt kunnen worden in de Toolkit:

  • Er is een AR-model van een kerk, waar de leerlingen ook binnenin kunnen kijken.
- In de deze kerk ligt het Psalter boek, dat als AR-model kan worden bekeken. Bijvoorbeeld door het verwijzen naar een specifieke marker met daarop een groot model van het boek.

Deze bovenstaande scenario’s hebben vooral als doel om nog enkele mogelijke uitwerkingen te onderzoeken voor opdrachten binnen de Toolkit. Het is maar een kleine greep uit de mogelijkheden die er zijn te bedenken. Om nog aanvullende inzichten te verkrijgen wordt er gesproken met geschiedenisdocent Bram de Wever. Onderdeel van dit gesprek is een ook een kleine ‘paper prototyping sessie’. Deze sessie heeft vooral als doel om nieuwe ideeën op te doen voor de uitwerking van de Toolkit, en andere meer concreet te maken. Enkele interessante punten die De Wever in het gesprek noemt, zijn onder andere:

  • “Of leerlingen juist laten onderzoeken wat er niet klopt” (bijlage 4: r480)
  • “Als je op een huisje inzoomt, vragen wat zie ik hier? “ (bijlage 4: r481)
  • “Een middeleeuws boek in de kerk leggen waar leerlingen informatie uit kunnen halen (bijlage 4: r486).
  • “Een gesprek (audio) tussen twee personen, waarbij leerlingen moeten aangeven wat er niet klopt.”(bijlage 4: r488).
  • “Je zou leerlingen met behulp van markers zelf een dorp kunnen laten samenstellen” (bijlage 4: r527)
  • “Bij andere opdrachten zou je leerlingen ook zelf iets kunnen laten samenstellen. Dit kan dan worden opgeslagen door het systeem en doorgestuurd worden naar de docent. De docent zou dan een punt kunnen geven voor de opdracht.”
  • “Er zijn meerdere werkvormen en manieren van toetsing, bijvoorbeeld: het systeem kan automatisch feedback geven of er is een werkblad als proefwerk.” (bijlage 4: r534).

Veel van deze punten zouden interessant kunnen zijn voor de uitwerking van de Toolkit. Zo ook het ‘werkblad’ dat wordt genoemd. Dit ‘werkblad’ zou kunnen dienen om de leerlingen van opdrachten te voorzien en hen meer structuur te geven bij het werken met de Toolkit. Hierna enkele afbeeldingen van de ‘paper prototyping’:

Paper prototyping

Figuur 58: Paper prototyping, 'volgorde' en 'verwijder de onjuiste'.

Paper prototyping

Figuur 59: Paper prototyping, 'zelf combinaties maken'.

Op de afbeeldingen (Figuur 58 & Figuur 59) zien we situaties waarbij het doel is om opdrachten meer concreet te maken. In Figuur 58 zien we 3 markers naast elkaar liggen, waarmee een opdracht wordt uitgebeeld waarbij de volgorde van de markers belangrijk is. De markers zouden in dat geval staan voor ‘historische gebeurtenissen’ welke in de juiste volgorde moeten worden gelegd. De groene blaadjes in Figuur 59 staan voor een opdracht waarbij uit 4 markers de onjuiste moet worden aangewezen. Verder zien we aan de rechterkant een verzameling markers (1 grote + daaromheen enkele kleine) welke een opdracht moet voorstellen waarbij de leerlingen zelf meerdere objecten moeten combineren (voor meer details zie bijlage 4: r580+). De Wever vindt dit laatste concept een van de meer interessante. Ook aangezien dit bij groepswerk zal leiden tot discussie, waar leerlingen veel van leren (bijlage 4: r571).Bij het volgende prototype dat we hierna gaan ontwikkelen proberen we dit aspect mee te nemen en de uitwerking meer flexibel te maken.

5.4 AR-TOOLKIT PROTOTYPE 2


61 http://www.kayderoos.nl/ARducation

Bij het prototype dat we nu gaan uitwerken wordt het concept niet meer opgezet rondom één marker, maar rondom meerdere. Op deze manier heeft elk object (kerk, huis, boom, etc.) zijn eigen marker. Dit betekent dat er ook anders met het prototype kan worden omgegaan bij opdrachten, aangezien de gebruiker nu zelf een compositie kan maken met de beschikbare markers (en daaraan gekoppelde modellen). In voorgaande paragraaf werd dit als voordeel gezien. Om dit te bereiken zijn verschillende (3D)modellen als aparte VRML bestanden opgeslagen. Op die manier kunnen ze apart worden ingeladen in Unifeye Design en hun eigen individuele marker krijgen toegewezen. Op de afbeelding hieronder (Figuur 60) het resultaat hiervan.

Scene met meerdere markers en daarop losse objecten

Figuur 60: Scène bestaande uit meerdere markers met daarop losse objecten.

Een voordeel van bovenstaande opzet is dat het qua ‘verkennend’ en ‘onderzoekend’ leren toegankelijker is. Het is immers eenvoudiger om één specifiek object in detail te bekijken en er kunnen eigen composities worden gemaakt (Welke objecten horen bij elkaar en waarom?). Het is niet nodig een keuze te maken tussen het voorgaande prototype of deze, aangezien beide principes gebruikt kunnen worden in opdrachten. Hierna een mogelijke lessituatie met dit prototype.

5.4.1 HET PROTOTYPE IN EEN LESSITUATIE

De opbouw van de les kan hier hetzelfde zijn als bij de situatie welke we beschreven in §5.2.4. De docent geeft een inleiding en daarna gaan de leerlingen zelf aan het werk met het prototype. In dit geval hoeven de opdrachten echter niet meer gebaseerd te zijn op de vooral visuele aspecten van het prototype, aangezien er nu meer mogelijkheden zijn. Een mogelijke opdracht in combinatie met dit prototype zou de volgende kunnen zijn:

  • “Stel een middeleeuws dorp samen bestaande uit: een kerk, huis van de heer en arbeiders huis, in overeenstemming met de kenmerken van de vroege middeleeuwen.”

Bij deze opdracht gaan we er vanuit dat de Toolkit een categorie markers met ‘gebouwen’ bevat. Deze categorie bevat verschillende markers met AR-modellen van bijvoorbeeld kerken, en andere bouwwerken. Uit deze collectie moeten de leerlingen de juiste kiezen en samenstellen. Op deze manier leren zij onder andere specifieke kenmerken en bouwstijlen herkennen. Als beloning zou er bij een juiste combinatie een animatie kunnen starten (bijvoorbeeld geluid van een kerkklok, rook uit schoorstenen, etc.).

Zoals we hebben gezien heeft dit prototype als voordeel dat er met verschillende losse objecten gewerkt kan worden. Hierdoor zijn leerlingen zelf in staat om combinaties te maken en hebben zij tijdens groepswerk meer onderwerp voor discussie. Meer mogelijkheden en flexibiliteit laten het concept beter aansluiten bij de benadering van het ‘nieuwe leren’. Toch benut ook dit prototype het potentieel van Augmented Reality maar deels, en dit benadrukt nogmaals de kracht van de techniek. De prototypes zijn slechts een eerste aanzet voor de inhoud van een AR-Toolkit, welke uiteindelijk vele malen uitgebreider en interessanter kan worden gemaakt. In het volgende hoofdstuk kijken we terug op het onderzoek en formuleren we de conclusies van het project.